Een tijdje geleden al schreef ik een column voor het blad Go/ed. Over het fijne van onbegrijpelijke woorden.
Vroeger wemelde het van de boeken zonder AVI-aanduiding. Mooi was dat. Dan kreeg je opeens een verhaal in handen vol geheimzinnigheid.
In het blad Go/ed was maar ruimte voor een paar voorbeelden. Ik zou nog veel meer woorden kunnen noemen.
Bedremmeld bijvoorbeeld (bedrempeld zei ik per ongeluk). Lineair, karwats, metropool en niet te vergeten dashond. Ik was een jaar of vijf en een dashond was mogelijk een kapstokmonster dat klaarlag of klaarhing om in je vingers te bijten. Lekker griezelig.
Ook nu houd ik nog van woorden die zich niet meteen gewonnen geven.
De column is hier na te lezen.
(Nee het klopt niet, denk ik bij nader inzien. Toen ik vijf was kon ik nog nauwelijks iets lezen. Het woord dashond moet dus van later zijn. Van wanneer precies weet ik niet meer. Was ik misschien zes of zeven? En waarom was ik in mijn herinnering jonger? Misschien omdat bang zijn zogenaamd bij kleine kinderen hoort en ik mezelf dus kleiner maakte. Je geheugen gaat soms zijn eigen gang. Het verdraait de waarheid een beetje. Maar dit keer had ik het door. )

Op de Zaanse Kinderboekenmarkt las ik voor tijdens een boottochtje, samen met Truus Matti. Daarna moest ik signeren, maar tussen de boottocht en het signeren zat meer dan een uur. Ik moest mezelf zien te vermaken. De boekenmarkt werd gehouden op de Zaanse Schans. Een plek die ik goed ken omdat ik nu eenmaal een Zaankanter ben. Ik lette voor een keer niet op de molens, maar op de boeken. Een tweedehands boek dat op een kraam stond trok meteen mijn aandacht. Het was een uitspanningsboekvoor jongens en meisjes. Voor vier euro mocht ik het meenemen. Helaas stond er nergens een jaartal in, maar het was een boek van voor mijn tijd, dat was duidelijk. Wat is een uitspanningsboek? Het tegenovergestelde van een inspanningsboek, dacht ik zo en dat klopte aardig. Er staan allerlei spelletjes en proefjes in. Sommige daarvan zijn trouwens behoorlijk inspannend omdat je er eerst allerlei ingewikkelde dingen voor in elkaar moet knutselen. Er staan ook rare spelletjes in het boek. Zoals: ‘Uit een glas een ander glas vullen zonder storten’ Eerst moet je aan twee personen vragen of ze een bijna vol glas zonder morsen (storten) leeg kunnen gieten in een ander glas. Dan laat je ze als volgt zitten. En ja hoor, je krijgt gelijk. Zonder morsen gaat het niet.

Aan het begin van het boek staat nog een citaat van Dr. J. P. Heye: ‘Er is ook een Gymnastiek der zintuigen en ze draagt meer bij tot de gezondheid, dan men vermoedt’
Zou het waar zijn?

Ik heb zo mijn twijfels.

Nu de kinderboekenweek bijna begint, praat ik veel over schrijven. Zo kreeg ik laatst weer een vraag over de lievelingsboeken uit mijn jeugd. Al eerder schreef ik daar iets over. (Hier en hier.)
Al een paar weken ligt David ontdekt de wereld van Anne Holm op mijn bureau. Ik heb het vroeger gelezen. Meerdere keren. Het maakte diepe indruk op me en raakte me tot in mijn ziel. Al lezend werd ik David. Ik vergat dat ik een boek las.
Ik wil David ontdekt de wereld opnieuw gaan lezen, maar ik durf er niet goed aan te beginnen. Ik ben bang dat het verhaal gekrompen is, zoals plaatsen uit je jeugd kunnen krimpen. Zoals gangen smaller worden en kamers kleiner. Ik vrees dat ik al lezend mezelf zal blijven. Dat ik de hele tijd zal weten dat ik een boek lees. Misschien is een gekrompen David nog indrukwekkend genoeg. Maar het lijkt me beter alles te laten zoals ik het me herinner. David gaat terug in de kast.

Na een stop van een paar weken ga ik weer verder met het pilotenproject. Ik bezoek met mijn vertelvoorstelling Zaanse scholen. Tot half april ben ik daar zoet mee. Ik fiets van de ene school naar de andere. Twee dagen per week vertel ik een verhaal over een piloot. Waar het precies over gaat kan ik niet verklappen. Dat moet een verrassing blijven. En bovendien is het iedere keer weer een beetje anders. De kinderen die komen kijken mogen meehelpen met vertellen en dan krijg je dat.
Vroeger had ik een oom. Hij heette Victor en hij was een echte piloot. Volgens mij heeft hij deze bril gedragen. Helemaal zeker weet ik het niet want ik vond hem pas toen oom Victor dood was en ik zijn huis ging opruimen. Nu doet de bril mee in de voorstelling. Samen met een muts en een verrekijker. Ik vond nog veel meer in het huis van oom Victor. Maar niet alles kon meedoen. Ik heb maar twee fietstassen en die zitten bomvol.

Dat had ik nooit moeten doen: schrijven over lievelingsboeken. De ene herinnering na de andere komt langsgeschoven. Wiplala, De kinderen van Bolderburen, Winnie de Poeh, De dood van Winnetou. In mijn hoofd ontstaat een eindeloze rij. De meeste boeken heb ik bewaard. Ook Paultje en het paarse krijtje staat nog steeds in mijn kast. Crocket Johnson schreef en tekende het in 1955. (De Nederlandse vertaling is in 2000 opnieuw uitgegeven.) Paultje heeft een krijtje. Daarmee tekent hij zijn eigen wereld. Een weg, een draak, een oceaan waar hij bijna in verdrinkt, een stad en tenslotte zijn eigen bed. Het is een mooi simpel boekje, maar ik weet nog goed dat ik het enorm spannend vond. Duizelingwekkend. Zielig ook. Paultje is overgeleverd aan zijn eigen fantasie. Als hij honger krijgt tekent hij paarse pasteitjes. Ook het veilige bed, waarmee het verhaal eindigt, moet hij eerst zelf tekenen.
Toen ik Paultje en het paarse krijtje voor het eerst las was ik nog te jong om precies te begrijpen waarom ik het zo spannend vond. Nu weet ik dat ik bang was om in mijn eigen hoofd te verdwalen. Wat zou er gebeuren als ik per ongeluk iets vreselijks verzon? Stel je voor dat alles echt zou bestaan. En nog erger: dat er verder niets anders zou bestaan. Huiveringwekkend!